Naar aanleiding van het verschijnen van de proefschrift-editie van De Stad als Interface schreef Simon Franke vorig jaar deze recensie:

Een fascinerend en zeer toegankelijk boek, waarin de vraag centraal staat of ons publiek domein wezenlijk verandert door het gebruik van mobiele en digitale media.

Op 23 januari promoveert Martijn de Waal. Ik was de afgelopen week in de gelegenheid zijn proefschrift te lezen: De stad als interface – Digitale media en stedelijke openbaarheid. Een fascinerend en zeer toegankelijk boek, waarin de vraag centraal staat of ons publiek domein wezenlijk verandert door het gebruik van mobiele en digitale media. Voor mij is de hoofdconclusie uit het boek dat (een beetje zwart-wit gesteld) de media radicaal andere vormen van omgang veroorzaken die uiteindelijk toch geheel voldoen aan oude principes over publieksvorming en interactie van bewoners en gebruikers van de openbare ruimte.

De Waal ‘wandelt’ door de geschiedenis van het denken over publiek domein en refereert aan bekende ideeën over het gebruik van de openbare ruimte van Jane Jacobs, Lyn Lofland, Hannah Arendt en Richard Sennet en het meer recente werk van bijvoorbeeld Talja Blokland over publieke familiariteit. Twee conclusies blijven mij bij na lezing van zijn boek.

Alle digitale media zijn te gebruiken als controle en toezichtsinstrumenten en dat is een reëel gevaar want ze kunnen nu eenmaal registreren waar je bent en wat je doet. Maar tegelijkertijd zijn twitter, facebook, blogs en de gps-connectie op je smartphone manieren om stedelijke ervaringen met foto’s en verhalen te beschrijven en te delen, ook met diegenen die niet fysiek op die bewuste plek aanwezig zijn. Media creëren een levende landkaart, waarop je kunt zien wat (en wie en waar) er aan de hand is en waarbinnen de buurtblogger de bewoners informeert over alles wat in de wijk gebeurt. Al die activiteiten kunnen het gebruik van de stedelijke ruimte juist stimuleren en bieden de mogelijkheid om naar eigen wens en in samenwerking met anderen de fysieke ruimte voortdurend en wisselend te herprogrammeren op het eigen gebruik.

Tweede conclusie is dat stedelijke openbaarheid niet meer noodzakelijk gekoppeld is aan ruimtelijke ontmoeting.

Digitale media bieden ook de mogelijkheid om het accent te verleggen van stedelijke ruimte naar stedelijke processen. Ontmoeten, jezelf presenteren, uitwisselen met anderen zijn typisch stedelijke gebruiken en met digitale media zijn die gebruiken niet meer noodzakelijk gekoppeld aan de fysieke ruimte. De Waal wil daarom dat we het accent verleggen van stedelijke ruimte naar stedelijke processen. Digitale media bieden dan een platvorm waarop stedelingen ‘publieken’ kunnen vormen en dat is uiteindelijk de essentie van publiek domein. De stad als interface, zoals de stad ook in het niet-digitale tijdperk altijd al een interface is geweest zoals De Waal beschrijft aan de hand van de ontwikkeling van de wijkgedachte bij het ontstaan van Pendrecht in Rotterdam.

En het aardige is dat Martijn de Waal tot de conclusie komt dat oude noties over het ideale openbare domein van Hannah Arendt of over het functioneren van parochiale domeinen zoals Maarten Hajer en Arnold Reijndorp dat tien jaar geleden formuleerden in Op zoek naar nieuw publiek domein in het digitale tijdperk nog net zo geldig zijn als daarvoor. Ook de digitaal gevormde publieken gedijen bij een zekere mate van gemeenschappelijkheid in het eigen parochiaal domein, maar de stad als geheel heeft er baat bij dat er overlap en uitwisseling is tussen de afzonderlijke domeinen.