Kees Keijer interviewde mij onlangs voor de derde editie van Nieuwezijds Magazine, een interessant nieuw blad dat de toekomst van Amsterdam onderzoekt.

In het openbaar vervoer, op pleinen en in cafés: iedereen is tegenwoordig verzonken in zijn eigen digitale wereld. Ouders kijken nauwelijks meer naar de verrichtingen van hun koters tijdens de zwemles of langs de lijn, maar turen gebiologeerd naar hun schermpje. Een praatje aanknopen met iemand die je toevallig ontmoet is er niet meer bij, liever onderhouden we contact
met onze vrienden en kennissen via allerlei sociale netwerken.

Digitale en mobiele media hebben de afgelopen jaren een enorme vlucht genomen
en de invloed op het alledaagse stedelijke leven wordt steeds duidelijker merkbaar. Smartphones, sociale netwerken, gpsnavigatie, sensornetwerken en smart
cards zoals de OV-chipkaart hebben invloed op ons gedrag. Op de manier waarop
we ons verplaatsen, waar we naartoe gaan, hoe we met anderen omgaan en hoe
we de openbare ruimte in de stad ervaren. Via Twitter, Facebook of Foursquare laten mensen weten waar ze zijn, via navigatieapps kunnen we die plekken snel vinden en ondertussen houden we ‘persoonlijk’ contact via e-mail, sms, whatsapp of tal van andere berichtenservices.

In zijn nieuwe boek De stad als interface beschrijft filosoof Martijn de Waal wat de opkomst van deze ‘urban media’ betekent voor de stedelijke openbaarheid. Als iedereen steeds individualistischer wordt, blijft er dan nog iets over van de stad als open democratische ‘gemeenschap van vreemden’? Wat zijn de gevolgen van de veranderingen die de stad als samenleving ondergaat en hebben we daar zelf nog genoeg invloed op?

De Waal promoveerde vorig jaar op het onderzoek, waar hij zo’n zes jaar geleden
aan begon. “Toen had ik het idee dat de opkomst van internet en de digitale media iets doet met de manier waarop mensen hun omgeving ervaren. Aanvankelijk keek ik vooral naar verbindingen tussen steden. Na de opkomst van internet en satelliettelevisie kon je weliswaar in Amsterdam wonen, maar je cultureel heel erg op Marokko richten. Of andersom; je kunt de hele winter aan de Costa del Sol zitten, maar eigenlijk ben je nog in Nederland.”

Al snel verschoof het onderzoek van De Waal zich naar de sociale verhoudingen
binnen steden en de manier waarop urban media de ervaring van de stad veranderen. Hij bracht allerlei onderzoeken bij elkaar en signaleert de ontwikkelingen in de stedelijke ruimte. Steeds meer stedelingen gebruiken publiekelijk hun laptop en telefoon, waarmee zij continu in verbinding staan met ‘soortgenoten’. Ze ontmoeten elkaar op plekken waar leden van dezelfde groep ook een voorkeur voor hebben. Staan we aan de vooravond van een nieuw type verzuiling? Of zijn er alternatieve manieren van samenleven
mogelijk?

De algemene verwachting is in elk geval dat digitale technologieën zich steeds
meer zullen verweven met het leven van alledag. Allerlei softwaretoepassingen
zullen er straks voor zorgen dat de stad steeds efficiënter functioneert. ‘Slimme’ stoplichten zorgen voor minder verkeersopstoppingen, koelkasten houden bij wat je in huis hebt, energie wordt steeds verstandiger gebruikt. Deze ontwikkeling neigt naar de smart city, de stad die volgestopt is met sensors, software en netwerken. De stad wordt een goedgeoliede machine en de bewoners vinden er hun weg met de smartphone.

De smart city lijkt steeds dichterbij te komen. Sterker nog, volgens sommigen
bestaat deze stad van de toekomst al. Songdo, een compleet nieuwe stad in
Zuid-Korea, zo’n 65 kilometer ten westen van Seoul, schijnt in elk geval griezelig dichtbij te komen. Songdo staat vol met hoge woontorens met luxe appartementen. De hele stad zit vol met sensors, camera’s en snelle netwerkverbindingen. Een centraal computersysteem houdt allerlei data in de stad bij. Van de energie die gebouwen verbruiken tot de bezetting van parkeerplekken. Straatverlichting wordt aangepast aan de locatie van verkeersdeelnemers. Zelfs al het afval wordt op individueel niveau gemeten. Ouders houden toezicht op hun spelende kinderen door camerabeelden te bekijken. Songdo is een modelstad, een proeftuin voor de schone, gezonde en efficiënte gemeenschap
van de toekomst.

De Waal heeft Songdo bezocht maar raakte niet bijster onder de indruk. “Die
stad wordt heel erg gepromoot als een smart city en er worden wereldwijd artikelen over geschreven. Maar feitelijk is er op dit moment nog niet zo heel veel te zien. Het zijn vooral plannen om dit soort smart city technologieën te gaan ontwikkelen. Ik denk wel dat ze er komen, maar het feit dat ze er nog steeds niet zijn geeft wel aan dat de werkelijkheid veel complexer is
dan men kan bedenken.” “De visie die erachter zit gaat uit van de
stad als een verzameling van infrastructuur, wegen, parkeerplaatsen en verwarmingen. En die gaan we zo efficiënt mogelijk beheren. Het maakt het leven
op zich prettiger. Maar het is de beperkte visie van een ingenieur op de stad.
De stad is ook een verzameling mensen die met elkaar samenleven. Maar daar wordt
eigenlijk heel weinig voor ontwikkeld.”

Het alternatieve toekomstscenario voor de smart city is de social city. Uitgangspunt daarvoor is dat de stad in de eerste plaats een gemeenschap is van mensen die ondanks al hun verschillen met elkaar moeten samenleven. Digitale media kunnen volgens De Waal een rol spelen om de onderlinge relaties tussen stedelingen te verbeteren. Hij haalt het voorbeeld aan van ilovenoord, een ‘community website’ die verbanden legt tussen mensen in Amsterdam-Noord. Er staan tips op over het stadsdeel en de bewoners wisselen informatie uit. Waar kun je goede koffie krijgen? Waar zitten leuke cafés? “Wat ilovenoord zo bijzonder maakt, is dat het niet alleen een digitaal platform is. Ze organiseren ook fysieke activiteiten. Ze hebben bijvoorbeeld een picknickactie bedacht. Er werden honderd kleedjes uitgedeeld om in een park te picknicken. Binnen een mum van tijd hadden mensen zich daarvoor opgegeven. Het grappige is dat dit niet per se een hechte gemeenschap oplevert. Al die mensen gingen op hun eigen kleedje zitten picknicken. Het werd niet één grote, gemeenschappelijke picknick, en toch was er wel een gevoel van gezamenlijkheid.”

Roept zo’n initiatief meer het gevoel van contact op dan dat er werkelijk vriendschappen ontstaan? “Het is een soort gelaagd proces. Het begint vaak beleidsmatig. Het idee van een lokale gemeenschap in een wijk, het idee dat mensen vriendschappen in een wijk moeten hebben, een hechte relatie. Terwijl je kunt zeggen: bij ons type samenleving, waarin de individualisering een belangrijke rol speelt, past beter niet een hele hechte lokale gemeenschap,
maar eerder een reeks losse lokale gemeenschappen. Je vertrouwt elkaar, je
kent elkaar, je groet elkaar, af en toe doe je iets samen. Als je een oppas nodig hebt of als je een boor wilt lenen, dan kun je bij iemand in de buurt aanbellen. Als je elkaar in het park ziet, maak je een praatje, maar dat hoeft niet per se.”

Het lijkt zo vanzelfsprekend: een stad waar je anoniem kunt zijn, maar ook rekening houdt met elkaar. Toch is die houding relatief nieuw. Tot in de jaren zestig leefde heel erg het idee dat buurten gemeenschappen zouden zijn. De Waal beschrijft in De stad als interface hoe de inwoners van de Rotterdamse wijk Pendrecht in de jaren zestig een hechte gemeenschap vormden en elkaar in de gaten hielden. “Die wijk verrees in 1954 en werd opgezet met het idee dat er een lokale gemeenschap gecreëerd moest worden. Televisie bestond nog niet, men had alleen radio. Mediatechnieken waren zijn er nog nauwelijks, alleen radio. De bewoners waren erg op de buurt gericht. Mannen werkten in de havens, vrouwen bleven thuis. Precies om zes uur kwamen de bussen uit de havens en daarna zat iedereen tegelijk aan tafel. De levensritmes liepen zo gelijk dat je
elkaar steeds tegenkwam.”

Dat is in hedendaagse steden wel anders. Tegenwoordig herbergt Amsterdam
bijvoorbeeld een enorme variëteit aan levensstijlen en identiteiten. Er zijn veel sociale banden, maar het is niet meer vanzelfsprekend dat iedereen in een
buurt elkaar kent. “Als je ziek bent komt de buurvrouw niet meer met een netje sinaasappelen. Er komt mogelijk wel iemand langs, maar die woont misschien aan de andere kant van de stad. Iemand die op Facebook heeft gelezen dat je ziek bent.” Stedelingen krijgen steeds meer vrijheid het leven naar eigen inzicht in te richten en de levensritmes van buurtgenoten lopen daardoor minder parallel dan vroeger.

De nieuwe media maken het mogelijk dat iedereen zijn eigen leven inricht. Van
gemeenschappelijke levensritmes is geen sprake meer. Toch vindt De Waal het
belangrijk dat terloopse contacten tussen buurtgenoten mogelijk blijven. In De stad als interface beschrijft hij dat als het ideaal van de Republikeinse Stad. Dat is een stad waarin iedereen de vrijheid heeft om te kiezen uit uiteenlopende levenswijzen, maar tegelijkertijd geldt dat stedelingen ook met elkaar verantwoordelijk zijn voor de stad als geheel. “Kunnen we niet kijken
of er nieuwe manieren zijn waarop we die momenten van overlap of korte contactmomenten kunnen creëren? Dat vind ik ook zo goed aan de picknickdag. Mensen vinden het leuk om deel uit te maken van een groter collectief, zonder dat je onderdeel wordt van een gemeenschap waar de nadruk ligt op een eenduidige gemeenschappelijke cultuur. Je mag gewoon zelf komen picknicken en als je er toch zit, maak je even een praatje met de mensen die naast je zitten.”

Een andere mogelijkheid om technologie in te zetten voor meer gemeenschapszin,
is volgens De Waal burgers toegang geven tot data. “Overheden verzamelen heel
veel data over de stad, maar soms weten ze eigenlijk niet goed wat ze er zelf mee kunnen. Dan kunnen ze het aan de burgers vragen. Een voorbeeld is bomenkap.nl, een site waarop je kunt zien welke bomen genomineerd zijn om gekapt te worden. Normaal staan zulke data ergens in een spreadsheet, maar nu staan ze op een kaart. Als je betrokken bent bij het groen in de stad, kan zoiets een manier zijn om je daar over te informeren en om eventueel tot actie over te gaan. Een website kan dus momenten creëren voor mensen om zich te organiseren.”

Grote moeilijkheid met de ontwikkelingen van de urban media: we zitten volgens
De Waal in een fase waarin we eigenlijk nog niet weten welke kant het opgaat.
“Je kunt van alles bedenken, maar misschien gebeurt er niets mee. En in andere
gevallen gebeurt er iets wat niemand kon bedenken. Sms is daar een voorbeeld van. Dat is bedacht als tijdbesparend medium voor drukke zakenmannen. Maar niet
voor tieners die juist te veel tijd hadden. Technologie wordt vaak op een andere
manier gebruikt dan de uitvinders ervan bedacht hadden. Eigenlijk is mijn boek ook een oproep aan ontwerpers. Misschien dat de scenario’s die ik beschrijf ook weer aangrijpingspunten kunnen zijn voor ontwerpers om dingen te gaan maken.”