Voor het meinummer van Stedenbouw & Architectuur schreef ik dit artikel waarin ik beschrijf hoe ruimtegebruik verandert door de opkomst van de smart phone.

De opmars van de smart phone is niet alleen een baanbrekende ontwikkeling op het gebied van de communicatietechnologie. Ze heeft mogelijk ook grote ruimtelijke gevolgen. Want de computer is nu niet meer alleen die grijze doos op of onder ons bureau, maar een apparaat dat we altijd en overal bij ons dragen. Bellen doen we er steeds minder mee, we gebruiken hem vooral om informatie op te vragen of via allerlei netwerken te communiceren met ‘vrienden’ (Facebook), ‘volgers’ (Twitter) en ‘contacten’ (Linkedin). Via de smart phone hebben we anytime, anywhere toegang tot anything en anybody en dat verandert de manier waarop we onze omgeving ervaren en hoe we ons sociaal-ruimtelijk organiseren.

In mijn recent verschenen boek De stad als interface; Hoe nieuwe media de stad veranderen onderzoek ik wat de opmars van de smart phone en andere ‘urban media’ als sensors, chipkaarten, camera’s en wifinetwerken kunnen betekenen voor de toekomst van de stad. Ik doe dat door een aantal scenario’s te verkennen. Een van de belangrijkste conclusies: stedelingen kunnen urban media gebruiken om de stad op nieuwe manieren te ‘programmeren’. De smart phone wordt een filter waarmee we precies die aspecten uit onze omgeving kunnen plukken die nu voor ons van belang zijn. En daardoor kunnen verschillende levenswerelden of functies die nu nog hun eigen plekken in de stad hebben dwars door elkaar heen gaan lopen.

Dat zit zo. Urban media kunnen in de eerste plaats gebruikt worden als ‘experience tracker’. We gebruiken onze smart phones om onze ervaringen vast te leggen en te delen met anderen. Tegelijkertijd worden veel van onze activiteiten in de stad ook door anderen geregistreerd: wanneer we inchecken met onze ov-chipkaart, als we bellen met onze telefoon, als we over de snelweg rijden, of als we toevallig over straat lopen als de Google Streetview-auto passeert.

Al die data kunnen we op daartoe relevante locaties ook weer oproepen. Samen met de mogelijkheid om overal met iedereen verbonden te zijn, stellen ze ons in staat de telefoon ook te gebruiken als ‘territory device’ – de tweede eigenschap van urban media. Deze term is ontleend aan het boek Personal Portable Pedestrian onder redactie van Mini Ito. Daarin beschrijven de auteurs hoe Japanse tieners mobiele telefoons gebruiken om zich allerlei ruimtes toe te eigenen en van karakter te veranderen. De tienerslaapkamer in een verre suburb van Tokyo is dan niet meer een afgezonderd gelegen privévertrek maar een collectieve ruimte waar urenlange chatgesprekken worden gevoerd. En andersom: uit het onderzoek bleek dat diezelfde Japanse tieners de openbare ruimte van de stad vooral zagen als een verzameling potentiële privédomeinen. Met een paar sms-jes konden ze immers in of op een willekeurig café of plein hun hele vriendengroep optrommelen en zich de ruimte toe-eigenen.

Die ontwkkeling wordt nog versterkt wanneer gebruik gemaakt wordt van de data die ‘live’ beschikbaar is in de stad. De TomTom loodst ons om de files heen; speciale apps leiden ons naar restaurants die door onze vrienden zijn aangeraden. De politie in Amsterdam wilde met Koninginnedag zelfs een speciale druktemeter lanceren: een kaart van Amsterdam waarop je live kon zien waar de mensenmenigtes zich concentreerden – zodat je zo kon ontwijken of juist opzoeken (Waar is dat feestje? Daar is dat feestje). Uit angst voor overbelasting van het netwerk werd deze dienst vlak van te voren teruggetrokken, maar het geeft aan wat ons te wachten staat. Kaarten van de stad zijn geen statische geometrische papieren objecten meer die uitvouwen, maar worden ‘levende landkaarten’ op onze schermen. Wijzelf staan als knipperend blauw stipje altijd in het midden van ons universum, om ons heen verschijnen die ‘nuttige plaatsen’ en ‘vrienden’ die de algoritmes van Google, TomTom of Facebook speciaal voor ons hebben geselecteerd.

De ontwikkeling is zo nieuw dat we nog niet precies weten wat voor ruimtelijke gevolgen dit kan hebben. Maar berichten in Nederlandse kranten illustreren een aantal mogelijkheden. Zo schreef NRC Handelsblad iets meer dan een jaar geleden dat de Amsterdamse parken uit hun voegen dreigden te barsten. Dat kwam enerzijds door sociaaldemografische ontwikkelingen (meer jonge gezinnen blijven in de stad wonen), maar ook door de opkomst van digitale media. De laptop en wifi maken van het park een kantoor, en op mooie dagen zorgden sociale media voor extra toeloop: ‘Er wordt steeds meer getwitterd: kom lekker naar het Vondelpark, het is leuk hier.’
De programmering van plekken in de stad wordt zo flexibeler. Dankzij websites als Airbnb waarop bewoners hun appartementen aan toeristen kunnen verhuren, is de hele stad nu een potentieel gedistribueerd hotel – een ontwikkeling die in Amsterdam al tot grote zorgen leidt bij de hotellobby, als ook tot vragen over wat dat betekent voor de leefbaarheid van woonbuurten. En anderzijds kan het zo zijn dat plekken die herkenbaar zijn door hun specifieke programmering aan belang inboeten. Zo berichtte het Parool eind vorig jaar dat de populariteit van speciale homocafés was gedaald. Een van de redenen: voor het vinden van een date werd steeds vaker internet gebruikt, voor de date zelf spraken de betrokkenen dan net zo lief af in een heterocafé.

Meerdere subculturen kunnen zo van dezelfde plekken gebruik maken, het is de smart phone die ons wel vertelt wie of wat voor ons van belang is. Dat betekent dat de stad van de toekomst wellicht meer behoefte is aan neutrale ontmoetingsplaatsen die door verschillende groepen tegelijkertijd toegeëigend kunnen worden. En tegelijkertijd kan het stedelijk leven diverser, chaotischer en onvoorspelbaarder worden. Tenminste, als we zo nu en dan ook nog eens opkijken van het scherm van onze smart phones.