Mijn artikel in de nieuwe editie van Rooilijn is door de recente aankondiging van Google om haar dienst Google Maps te personaliseren plots zeer actueel. In het stuk vergelijk ik de ontwerpbenadering van Kevin Lynch en Archigram uit de jaren zestig met die van commerciële en artistieke urban media makers als Google en Senseable City Lab. Waar Google de kaarten van de stad aan wil passen aan de voorkeuren van de gebruiker, stelde Lynch dat het juist de opdracht van de architect is om verschillende levenswerelden met elkaar te verbinden. Toch is Lynch gedachtegoed niet helemaal verdampt. Een aantal urban media ontwerpen van kunstenaars, academici en sociale activisten past juist heel goed bij zijn manier van denken.

De invloed van nieuwe media en nieuwe technieken op het stedelijk leven is groot. De opkomst van de smart city draagt in eerste instantie bij aan verdere individualisering en liberalisering van de stedelijke samenleving. Er is echter ook een alternatief toekomstscenario. Daarin geven digitale media op een nieuwe manier invulling aan de stedelijke openbaarheid. Daarmee blazen ze ook nieuw leven in het klassieke republikeinse ideaal van de stad als open democratische ‘gemeenschap van vreemden’.

Al in de jaren 60 dachten architecten na over de invloed van computers op de fysieke stad en het stedelijke leven. Zo poneerde de Britse architectengroep Archigram het idee dat iedere stad een ‘schaduwstad’ zou krijgen, een ‘Computer City’. Met behulp van sensoren zou informatie over het gedrag van stedelingen worden verzameld en op basis daarvan zou de fysieke stad letterlijk worden aangepast. De Plug-In City, noemde Archigram de fysieke stad waarvan de programmering door de Computer City werd aangestuurd.. Dat was in de jaren zestig nog pure science fiction. Maar inmiddels, veertig jaar later, is de stad daadwerkelijk volgestouwd met sensoren, die allerlei informatie over ons gedrag vastleggen. Dat leidt opnieuw tot een debat over de toekomst van de stad en de invloed van de computer. Opnieuw wordt er gesproken over de belofte van de interactieve stad. Alleen gaat dat debat nu niet meer over de vraag hoe de stad zich fysiek aan kan passen aan de stedeling. Nu luidt de belofte dat er een slimme laag van data en informatie aan de fysieke stad wordt toegevoegd: de zogenoemde smart city. Deze laag biedt de stedeling de mogelijkheid zijn omgeving te personaliseren, door software die op hem toegesneden informatie biedt. Dit loopt uiteen van bijvoorbeeld TomToms die je door de stad leiden en apps die je wijzen op restaurants die passen bij je voorkeuren, tot informatie over waar je vrienden zijn. In kritieken wordt veelal ingegaan op het effect die deze ontwikkeling heeft op het verdwijnen van de traditionele publieke ruimtes en de verandering van burger tot consument (De Waal, 2013). In dit artikel staat echter de mogelijkheden van deze veranderingen voor stedelijke gemeenschappen centraal en worden de hedendaagse ontwikkelingen afgezet tegen de experimenten uit de jaren 60.

WikiCity
Op de avond van de Notte Bianca 2007, een groot cultureel festival dat rond het begin van de zomer in steden over de hele wereld plaatsvindt, verschijnen op verschillende plekken in Rome grote schermen. Gedurende de avond en nacht projecteerden Amerikaanse onderzoekers dynamische kaarten van Rome op de schermen. Lichtblauwe vlekken op de kaart laten zien waar het druk is in de stad. Daarvoor wordt gebruik gemaakt van de verzamelde locatiegegevens van mobieletelefoonbezitters. Bezoekers van het evenement kunnen zo in één oogopslag op de kaart zien bij welke podia in de stad het druk is en hun route daarop afstemmen. Iets wat extra makkelijk wordt gemaakt doordat ook de Romeinse stadsbussen op dezelfde kaart live te volgen zijn. Gele strepen geven hun actuele positie aan. Daarnaast doen ook journalisten live verslag van het evenement en ook hun bijdragen verschijnen op de kaarten. In 2007 was dit WikiCity experminent opgezet dor het Massachusetts Institute of Technology het eerste grootschalige experiment waarbij getracht werd om door middel van het verzamelen en ontsluiten van ‘urban data’ het collectieve ritme van de stad zichtbaar te maken. Met urban data bedoel ik allerlei soorten informatie over het gebruik en de beleving van de stad. Het gaat zowel om sensoren die bijvoorbeeld verkeers- en vervoersstromen meten, maar ook om ‘gepersonaliseerde’ informatie verspreid via bijvoorbeeld Facebook en Twitter.

In het vervolg van dit artikel ga ik in op de kansen en mogelijkheden die het gebruik van urban data biedt. Interessant is het daarbij nog even terug te blikken op de ideeën van Archigram uit de jaren zestig. Voor Archigram paste het idee van de Computer-City binnen een in die tijd revolutionair denkkader waarin zij het belang van de gebouwde omgeving – toch de core business van de architectuur – relativeerden. ‘When it is raining in Oxford Street, the architecture is no more important than the rain’, schreef Peter Cook, en dat was in die tijd een controversiële uitspraak (Sadler, 2005, p.123). Veel van de tijdgenoten van Archigram werkten nog aan grote modernistische en idealistische woningbouwprogramma’s in de geest van Le Corbusier. De architect was daarbij niet iemand die zomaar een visueel of ruimtelijk ontwerp maakte. De woonwijken die op zijn tekentafel ontstonden waren in de eerste plaats een sociaal ontwerp. De gebouwde omgeving zou niets minder dan een nieuw type samenleving voor een nieuw type mens in het leven moeten roepen, passend bij de moderne tijd. Archigram zette zich af tegen een dergelijk maakbaarheidsideaal. In haar tentoonstellingen en uitgaves legde de beweging juist de nadruk op de bottom-up processen van het alledaagse leven. De gebouwde omgeving was daarbij een van de factoren die de ervaring van de stad mee bepaalde, maar niet per se de meest doorslaggevende. Een stedelijk samenlevingsideaal kon bovendien niet met behulp van een gebouwde omgeving worden opgelegd, eerder was het zaak de vormgeving van de stad af te stemmen op al de sociale interacties die er plaats vonden. De zogenoemde virtuele ‘Computer-City’ speelde daarin een centrale rol. De data die met dat systeem verzameld werden, konden gebruikt worden om de inrichting van de stad aan te passen. De fysieke tegenhanger van de Computer-City heette bij Archigram dan ook de ‘Plug-In City’. De Plug-In City was een stad die nooit af was. Vast onderdeel waren enorme hijskranen die overal bovenuit toornden. Die konden de bouwblokken van de Plug-In City naar gelieven verplaatsen. Op de diverse tekeningen die Archigram publiceerde, oogt de Plug-In City als een Lego-stad. De gekleurde bouwblokjes konden steeds weer op nieuwe manieren gecombineerd worden, afhankelijk van de wensen van en patronen van haar gebruikers.

Stedelijkheid gaat bij Archigram niet zozeer om de gebouwen, maar om de sociale interactie die in de stad plaats vindt. Daarbij ligt het primaat bij het individu. De stad – en dus de architect – moet hem zoveel mogelijk in staat stellen zijn wensen te vervullen. Een halve eeuw later lijkt dit nog steeds het belangrijkste uitgangspunt van veel van de urban data toepassingen. Alleen leidt dat niet tot een Plug-In City zoals voorzien door Archigram – een stad die zich fysiek aanpast aan de wensen van de stedeling. Maar eerder tot een Software City. Niet de fysieke stad past zich met behulp van hijskranen aan, maar een laag van software gidst de stedeling op nieuwe manieren door de fysieke stad. Naast de al eerder genoemde voorbeelden zoals TomTom bestaan er ook tal van controversiële apps. Zo kun je in Amerika met behulp van de Scenetap app zien hoe druk het in allerlei cafés en bars is. Bij die uitgaansgelegenheden hangt voor de deur een camera die aangesloten is op een computer met software die de gezichten van bezoekers analyseert: zijn het mannen of vrouwen en hoe oud zijn ze? Op internet kun je dan zien wat de gemiddelde leeftijd in een kroeg op dat moment is, en hoe het staat met de man/vrouw verhouding. De software helpt je zo een plek uit te kiezen die past bij jouw voorkeuren van die avond. De geografische locatie van de kroeg doet er minder toe, de GPS gidst je er immers naar toe. Het uitganspunt,van dit soort apps is dat het verzamelen en ontsluiten van urban data stedelingen in staat stelt hun leven gemakkelijker en efficiënter te maken.

Urban Data
Er is inmiddels een hele nieuwe bedrijfstak aan het ontstaan die zich bezig houdt met het verzamelen van urban data en het ontwikkelen van diensten. ‘reality mining’, wordt deze nieuwe bedrijfstak wel genoemd. Volgens sommige ‘evangelisten’ kan de opmars van reality mining zelfs leiden tot een utopische toekomst waarin de wereld om ons heen zich opnieuw op ‘magische’ wijze aanpast aan onze individuele behoeftes, zelfs nog voordat we ons zelf van die behoeftes bewust waren geworden. Volgens Alex Pentland (2009) zullen we dit ervaren als een ‘gemaks’-wereld waarin alles is aangepast aan de eigen persoonlijke behoeftes. Immers: “For individuals, the attraction is the possibility of a world where everything is arranged for your convenience – your health checkup is magically scheduled just as you begin to get sick, the bus comes just as you get to the bus stop, and there is never a line of waiting people at city hall” (Pentland, 2009, p. 79).

Pentlands scenario komt dicht in de buurt van dat van Archigram: een stad die real-time reageert op de wensen van individuele stedelingen. Toch zijn er ook diverse verschillen tussen de benadering van Archigram en de hedendaagse experimenten. Dat verschil zit hem vooral in de ontwikkeling van wat wel ‘smart cities’ worden genoemd. Met smart cities wordt verwezen naar projecten, die met behulp van urban data steden efficiënter moeten maken. Het doel van deze projecten is door het gebruik van urban data bijvoorbeeld verkeersstromen, energiegebruik en veiligheid beter te kunnen beheren. Dat is in de eerste plaats nuttig voor de individuele stedeling – die bijvoorbeeld minder in de file te staat en van wie de energierekening lager uitvalt. In de tweede plaats is de aantrekkingskracht voor steden dat de stad als geheel beter gemanaged kan worden. En daarin zit het verschil met Archigram. Die beweging zette zich af tegen het ideaal van maakbaarheid en vestigde de aandacht op de spontane interacties van het alledaagse leven. Maar de leidende gedachtegang achter het ontwerp van smart cities lijkt juist eerder op een vervolmaking van het modernistische ideaal van controle en maakbaarheid. Juist door van alle processen data te verzamelen, kunnen we het leven in de stad beter dan ooit beheersen, beloven de smart city-profeten – tegenwoordig overigens geen architect meer van beroep, maar computerprogrammeur.

Too Smart?
Natuurlijk is het prettig als alles in een stad goed geregeld is, schrijft socioloog Richard Sennett eind 2012 in een opiniestuk met de veelzeggende titel ‘No One Likes a City That’s Too Smart’ in de Engelse krant The Guardian. Maar de manier waarop dat gebeurt is vaak te bedacht, te veel van bovenaf opgelegd. Burgers dreigen daardoor vooral consumenten te worden en hebben zelf weinig in te brengen in de manier waarop het leven er is georganiseerd. De centrale kritiek op dit soort systemen is dat burgers wel diensten aangereikt krijgen waarmee ze hun leven efficiënter kunnen organiseren, of aangenamer kunnen maken, maar dat ze weinig of geen zeggenschap krijgen over de inhoud van die diensten.

Een tweede set van vragen die de opkomst van de smart city oproept, is het eigendom en beheer van de urban data. Wie heeft er precies toegang tot die data, en wie heeft er de mogelijkheid te bepalen wat er mee gebeurt? In veel gevallen zijn het niet de burgers maar bedrijven en overheden die het initiatief nemen. Burgers mogen meedoen aan het spel, maar de spelregels kunnen ze niet altijd meebepalen. Het Senseable City Lab wil met het experiment WikiCity in Rome precies die problematiek agenderen. Volgens de bedenkers is het belangrijk dat het dataplatform op een ‘open source manier’ ontworpen wordt. Dat wil zeggen dat burgers ook zelf data aan het platform kunnen toevoegen en er naar eigen inzicht gebruik van kunnen maken. Op die manier kan het WikiCity experiment bijdragen aan het ontstaan van een netwerk van verschillende datasets die door verschillende partijen worden aangeleverd. Zoals het wegennet van een stad een open infrastructuur is die door alle stedelingen gebruikt kan worden, zo zou ook de verzameling van datasets over de stad een openbaar goed moeten zijn. De WikiCity – de term die zij verkiezen boven smart city om het bottom-up karakter te benadrukken – zou niet alleen moeten bestaan uit diensten gericht op efficiëntie, maar tegelijkertijd stedelingen ook de mogelijkheid moeten bieden zich op nieuwe manieren te organiseren.

Daarmee biedt het experiment van het Senseable City Lab ook een mogelijk antwoord op een derde belangrijke kritiek op de ontwikkeling van smart cities. Een stad die inspeelt op ‘human wish as it occurs’ zo luidt de vrees, kan leiden tot verregaande privatisering van het openbare leven. Als software ons voortdurend gidst naar die plekken die passen bij onze voorkeuren, wat blijft er dan over van de publieke ruimtes in de stad – de plekken waar stedelingen met uiteenlopende identiteiten elkaar kunnen ontmoeten? Heeft de opkomst van urban data zo verstrekkende gevolgen voor de manier waarop de stad ook als een gemeenschap functioneert?

Publieke gemeenschap
Ook op dit punt zien we een groot verschil tussen de gedachtevorming van 40 jaar geleden rondom de ‘Computer City’ en de hedendaagse smart city. ‘There is no desire to communicate with everybody’, stelde Archigram in het kader van de ‘Living City’ –tentoonstelling waarin ze in de jaren zestig haar visie op de stad ontvouwde. ‘… only with those whose thoughts and feelings are related to our own.’ Dat was in die tijd een vooruitstrevende gedachte. Archigram wilde de individuele stedeling bevrijden van de conformistsche jarenvijftigcultuur als ook van de opgelegde collectieve ervaring van het modernisme. Een halve eeuw later is – mede door de digitalisering – de sociale situatie eerder omgekeerd. Dwang tot conformisme heeft grotendeels plaatsgemaakt tot de mogelijkheid het leven naar eigen inzicht in te richten. De vraag is nu eerder of er niet te weinig momenten zijn waarop de levenswerelden van stedelingen elkaar overlappen.

Kevin Lynch
Vandaar dat de initiafinemers van WikiCity benadrukken dat hun experiment ook kan bijdragen aan het organiseren van nieuwe vormen van stedelijke openbaarheid. Zo wijzen ze bijvoorbeeld op de mogelijkheid om ‘discovery’-diensten te ontwerpen. Dat zijn diensten die stedelingen verleiden om eens buiten de gebaande paden van de eigen levenswereld te kijken (Calabrese e.a., 2008). Het is een benadering die in de verte doet denken aan het werk van stadsonderzoeker Kevin Lynch – een tijdgenoot van de architecten van Archigram. Net als Archigram was hij geïnteresseerd in de manier waarop stedelingen zelf betekenissen toekennen aan de ruimtes om hen heen. Maar waar Archigram die kennis in wilde zetten om de stad te personaliseren aan de voorkeuren van stedelingen, zag Lynch het juist als een opdracht voor ontwerpers om van die kennis gebruik te maken om verschillende levenswerelden met elkaar te verbinden. Lynch verwoordde dit in zijn bekende boek The Image of the City als volgt

“the function of a good visual environment may not be simply to facilitate routine trips, nor to support meanings and feelings already possessed. Quite as important may be its role as a guide and a stimulus for new exploration. In a complex society, there are many interrelations to be mastered. In a democracy, we deplore isolation, extol individual development, hope for ever-widening communication between groups. If an environment has a strong visible framework and highly characteristic parts, then exploration of new sectors is both easier and more inviting. If strategic links in communication (such as museums or libraries or meeting places) are clearly set forth, then those who might otherwise neglect them may be tempted to enter” (Lynch, 1960, p109-110).

Een goed ontworpen stad, beargumenteerde Lynch, nodigt stedelingen uit kennis te nemen van het leven van anderen. Visueel ontwerp speelt daarin een doorslaggevende rol. Aan het begin van de eenentwintigste eeuw zou dat betekenen dat niet alleen de fysieke maar ook de virtuele omgeving aan die eis moet voldoen. Een project dat als een van de eerste de mogelijkheid verkende om met behulp van urban data de levenswerelden van stedelingen met elkaar te verbinden was Urban Tapestries, dat uitgevoerd werd door Proboscis in Londen tussen 2002 en 2004. Proboscis zelf omschrijft Urban Tapestries als een onderzoek naar de mogelijkheid tot ‘public authoring’ van de stad. Daarmee bedoelen ze – weer vergelijkbaar met de opvatting van Archigram – dat de collectieve ritmes en routines van haar inwoners doorslaggevend zijn voor de ervaring van de stad. Met Urban Tapestries wilden ze die ervaringen zichtbaar maken. Daarvoor ontwikkelde Proboscis een digitaal mediaplatform waarop bewoners berichten konden achterlaten die aan een locatie zijn gekoppeld. Geïnteresseerden konden deze notities weer opvragen, bijvoorbeeld via computer of een PDA, een voorloper van de smartphone. Het verschil met Archigram is dat de initiatiefnemers van Urban Tapestries die alledaagse ritmes tegelijkertijd gebruiken als aangrijpingspunt om stedelingen van uiteenlopende afkomsten met elkaar in contact te brengen, in plaats van de stad af te stemmen op hun individuele wensen. In een interview legt initiatiefnemer Giles Lane uit dat hij hoopt dat de verschillende annotaties die op dezelfde plek worden gemaakt, kunnen dienen als een katalysator, bijvoorbeeld voor actiegroepen die zich willen organiseren rond een lokaal issue. Als stedelingen hun omgeving annoteren en voor hen belangrijke issues koppelen aan de plekken waar die spelen, dan kunnen andere burgers daar weer op inspelen. De ene keer gaat het om een persoonlijke herinnering, een andere keer om een politiek onderwerp. De uitwisseling via de kaart kan zo een proces op gang brengen dat ook buiten het communicatiesysteem van Urban Tapestries gevolgen heeft. Het kan bijvoorbeeld leiden tot manifestaties, demonstraties of buurtfeesten (Galloway, 2008). Uiteraard stelt dit hoge eisen aan het ontwerp. Immers waar je in de gebouwde stad de stedelijke landmarks van Kevin Lynch automatisch ziet als je door de stad loop, dient ook in het interface ontwerp er dus aandacht voor landmarks te zijn. Anders is er een levensgroot risico dat al die online notities van stedelijke ervaringen onzichtbaar blijven.

De data die in de stad worden verzameld, kunnen ook op zichzelf een nieuw motief bieden voor burgers om zich te organiseren. Immers door data te verzamelen, te analyseren en te visualiseren kunnen specifieke maatschappelijke processen zoals milieuvervuiling, leegstand of sociale ongelijkheid inzichtelijk worden gemaakt. Rond die visualisaties kan dan een publiek ontstaan dat zich om het onderwerp gaat bekommeren. Het Spaanse project In the Air is hier een voorbeeld van. Voor dat project, www.intheair.es, worden data verzameld over de luchtvervuiling in Madrid. Het visualiseren van de luchtvervuiling heeft volgens de initiatiefnemers meerdere doelen. Er is de hoop dat de visualisaties leiden tot een verhoogde betrokkenheid bij het milieuvraagstuk. De verzamelde kennis kan dan ingebracht worden in het publieke debat en leiden tot politieke actie. Ook is er een idee voor een app die de gegevens van In the Air combineert met een reisplanner. Gebruikers krijgen dan bij elke reis vermeld hoeveel ze met die reis zelf bijdragen aan de vervuiling en hoeveel minder of meer dat is als ze een andere manier van vervoer kiezen. Op deze manier hopen de ontwerpers het publiek niet alleen te informeren over het probleem, maar hen ook daadwerkelijk te betrekken bij het issue luchtvervuiling. Tot slot bestaat het plan is om mensen in de toekomst ook te vragen zelf bij te dragen aan het verzamelen van de gegevens over de luchtvervuiling. Het is bijvoorbeeld mogelijk de mobiele telefoon van deelnemers uit te rusten met een kleine sensor of om meetapparatuur bij inwoners thuis op hun balkons te plaatsen en deze via een WikiCity-achtig systeem te delen. Deze vorm van collectieve informatievergaring en –deling wordt ook wel ‘citizen science’ genoemd (Paulos, 2009).

De Amerikaanse onderzoekers en kunstenaars Benjamin Bratton en Natalie Jeremijenko (2008) denken dat dit soort experimenten kunnen bijdragen aan het ontstaan van nieuwe politieke praktijken. Dit soort infrastructuur kan bijdragen aan een mogelijke overgang van een ‘representatieve democratie’ naar een ‘democratie van representaties’. Daarmee bedoelen Bratton en Jeremijenko dat de representaties van datastromen die worden gegenereerd in het alledaagse stedelijke leven een rol kunnen spelen in het publieke debat en politieke proces. Visualisatie van geaggregeerde data kan ook allerlei processen zichtbaar en tastbaar maken die tot nog toe onzichtbaar waren. Tegelijkertijd zijn Bratton en Jeremijenko ook kritisch. De huidige projecten schieten in hun ogen nog tekort. Ze bieden weliswaar inzicht in belangrijke issues, maar uiteindelijk doen ze ook niet meer dan dat. Nog onvoldoende worden mensen echt betrokken gemaakt bij belangrijke issues. Het is een uitdaging om verder na te denken op welke wijze protocollen rond datastromen ontworpen kunnen worden om daadwerkelijk aan te zetten tot actie.

Er is nog een derde manier waarop dataplatforms als WikiCity een rol kunnen spelen bij het bevorderen van de stedelijke gemeenschap. De nauwkeurige registratie van het gebruik van allerlei stedelijke diensten maakt ook een nieuw gemeenschappelijk beheer van die diensten mogelijk. Urban data zou het aloude idee van een ‘commons’ weer nieuw leven in kunnen blazen.

Dat begrip verwijst naar het gemeenschappelijke grasveld waarvan Engelse boeren gebruik konden maken om hun vee op te laten grazen. In de economische theorie geldt een commons doorgaans als een interessante maar niet levensvatbare organisatievorm van beheer. Vaak wordt verwezen naar de Amerikaanse ecoloog Garett Hardin, die zelfs van de ‘tragedy of the commons’ spreekt. Die tragedie bestaat eruit dat het voor individuele boeren aantrekkelijk is om zo veel mogelijk vee op de ‘commons’ te laten grazen. De meeropbrengst van ieder extra schaap komt immers hemzelf ten goede. Maar voor de gemeenschap als geheel is het desastreus als iedere boer zijn instinct tot winstmaximalisatie volgt: dan dreigt de ‘commons’ overbegraasd te worden en aan zijn eigen succes ten onder te gaan. Kan de opkomst van digitale technologieën hierin verandering brengen? Stel dat ieder schaap uitgerust wordt met een sensor die registreert hoeveel gras hij precies afgraast. Dan kan op collectief niveau een winst- en verliesrekening opgesteld worden waaruit zichtbaar wordt welke boeren meer dan hun evenredige deel van de commons hebben benut. Op dit moment zijn er een aantal experimenten in uitvoering die onderzoeken of er met behulp van digitale media nieuwe vormen van collectief beheer mogelijk zijn. Zo is er bijvoorbeeld een aantal websites waarop autobezitters hun auto kunnen delen met buurtbewoners. Andere platforms bieden stedelingen de mogelijkheid hun gereedschap uit te lenen aan hun buren of maaltijden af te halen bij thuiskoks. Heel functionele alledaagse praktijken zouden zo kunnen leiden tot nieuwe praktijken waarbij stedelingen met uiteenlopende achtergronden elkaar ontmoeten. Dat kan variëren van korte informele ontmoetingen bij het lenen van een boor tot meer structurele vormen van samenwerking in het gemeenschappelijke beheer van een buurttuin of cultureel centrum. Deze experimenten zijn echter nog in een te pril stadium om al conclusies te kunnen trekken over wat zij betekenen voor het ontstaan van nieuwe vormen van publieke gemeenschappen.

Alledaags digitaal
Alledrie de voorbeelden, Urban Tapestries, In the Air en het idee van de stad als een digitaal beheerde ‘commons’, zijn vooral nog experimentele verkenningen van de manier waarop urban data ook de stedelijke gemeenschap ten goede zouden kunnen komen, en op nieuwe manieren een publiek domein in het leven kunnen roepen. Dergelijke systemen hebben ook zo weer hun eigen problematiek. Zijn reputatiesystemen inderdaad een oplossing voor de ‘tragedy of the commons’? Is de transparantie die ze vereisen wel wenselijk? Hoe zit het met de privacy van de gebruikers? En willen we de hele wereld wel vatten in mathematische winst-verliesrekeningen? Ondermijnt dit niet juist een op menselijk vertrouwen gebaseerde vorm van solidariteit? Daarnaast zijn het vooralsnog vooral kunstenaars die met dit soort voorbeelden experimenteren en vooralsnog is de impact ervan beperkt. Deze kritieken zijn relevant. Waar het hier om gaat, is dat de verkenningen laten zien dat er verschillende manieren zijn waarop urban data toepassingen ontwikkeld kunnen worden. Urban data kunnen de stad efficiënter maken, en het gebruik van de stad beter afstemmen op de levenswereld van de individuele stedeling. Maar er is ook een alternatieve route, die minstens zo interessant is, en die ook architecten, ontwerpers, beleidsmakers tot de verbeelding zou moeten spreken.

Martijn de Waal (martijn@thepublicmatters.eu) is universitair docent aan de vakgroep mediastudies van de Universiteit van Amsterdam. Samen met Michiel de Lange richtte hij in 2007 de denktank The Mobile City op. In 2013 verschijnt zijn boek ‘De stad als interface. Hoe nieuwe media de stad veranderen’. www.destadalsinterface.nl

Literatuur
Bratton, B. e.a. (2008) Suspicious Images, Latent Interfaces, The Architectural League of New York, New York
Calabrese, F., K. Kloeckl, en C. Ratti (2008) ‘WikiCity Real-Time Location-Sensitive Tools for the City’ In Handbook of Research on Urban Informatics: The practice and Promise of the Real-Time City, edited by M. Foth. Hershey, New York, London: Information Science Reference
Galloway, A. (2008) A Brief History of the Future of Urban Computing, PhD Carleton University, Ottowa
Lynch, K. (1960) The Image of the City, The Mit Press, Cambridge
Paulos, E. (2009) ‘Citizen Science and the Challenge of Change’, in: Engaging Data, SENSEable City Lab, Cambridge MA
Pentland, A. (2009) ‘Reality Mining of Mobile Communications: Toward a New Deal on Data’, p. 75-80 in: S. Dutta en I. Mia (red.), The Global Information Technology Report 2008–2009: Mobility in a Networked World, World Economic Forum/INSEAD, Genève
Sadler, S. (2005) Archigram: architecture without architecture, The Mit Press, Cambridge
Sennett, R. (2012) ‘No One Likes a City That’s Too Smart’, In: The Guardian, 4 december 2012
Waal, de M. (2013) De stad als interface. Hoe nieuwe media de stad veranderen, NAi010, Rotterdam